Turkse pizza – column van Elle van Liesvelt
Het is alweer na zeven als we van het sportveld komen. Als een moedereend fiets ik gevolgd door mijn beide dochters door de Vespuccistraat. Ze hebben hun sportschoenen, blauw-wit gestreepte clubshirt en zwarte rokje nog aan. In de voortuinen van de straat bloeien prunusbomen, hebben struiken vers groene blaadjes en geurt een sering. ‘Ik heb honger,’ roept de jongste. In mijn hoofd scan in de koel- en voorraadkast. Het levert geen volledige maaltijd op. ‘We gaan een Turkse pizza halen,’ roep ik terwijl ik een langsrijdend busje maan vaart te minderen. De bestuurder knikt vriendelijk als hij ziet dat er twee fietsende kinderen achter me aan komen. ‘Joepie,’ roepen die. Volgens hen is er niets lekkerder dan Turkse pizza.
We parkeren onze fietsen voor de deur van de pizzaman. Hij begroet ons bij de voornaam als we binnenstappen. Aan de muur hangt een blauwe glazen amulet in de vorm van een oog. Het blauwe oog is de tegenhanger van het oog van Horus, het boze oog. Het glazen oog, dat Nazar wordt genoemd, absorbeert de slechte energie van het boze oog of stuurt het terug naar degene die ongeluk wilde aandoen. Het beschermt dus tegen het kwaad. ‘Drie Turkse pizza’s met extra knoflooksaus en een klein beetje sambal,’ zegt de oudste. De pizzaman haalt drie pizza’s van de grote stapel die op de balie ligt, schuift ze in de oven en vraagt: ‘Hoe gaat het op school?’ Terwijl mijn oudste vertelt over een moeilijk proefwerk Engels, glipt mijn jongste achter de balie. De pizzaman lacht: ‘Ga jij ze weer zelf maken?’ Ze knikt en scheurt een stuk aluminiumfolie van de grote rol af. Even later liggen er drie stukken. In de vitrine glanst de baklava van de suikerstroop, en er liggen stapels vrolijk gevormde koekjes. ‘Die hartjes vind ik de mooiste,’ zegt de jongste, die me ziet kijken. Chocoladebruin, crème versierd met een walnoot of groene pistachenoot. Oranjebloesemwater geeft de koekjes een mysterieuze, oosterse smaak.
Op de drie zilveren velletjes gaan drie dampende pizza’s. De jongste deponeert met een tang op iedere pizza een bergje sla, wat uitjes en tomaat. Vervolgens pakt ze de fles met knoflooksaus. Sierlijk wordt iedere pizza wit gespoten, net zolang totdat ik ‘Stop’ roep en de pizzaman hard lacht. ‘Willen jullie nog een lolly?’ vraagt hij de kinderen als ik afgerekend heb. Ze kennen het ritueel en staan er al helemaal klaar voor. ‘Mag ik er een met colasmaak?’ ‘Ik wil graag die aardbei.’ Als hij de kinderen een lolly heeft toegestopt, zegt hij tegen mij: ‘Wacht even.’ Hij vult een papieren zak met koekjes. ‘Voor jou.’ Ik lach vriendelijk. Met een tas vol lekkers gaan we naar buiten.
‘Mama,’ verzucht de jongste als we even later thuis aan tafel zitten, ‘ik vind dit altijd zo lekker.’ De saus druipt uit haar mondhoeken naar beneden. Een uurtje later liggen beide meisjes schoongewassen met hun gebloemde nachtponnen aan in bed. Ik doe het licht uit. Als ik ze goedenacht kus bij het lichtgevende Mariabeeld dat oma in Lourdes heeft gekocht, geuren ze mediterraan naar knoflook.
Tekst: Elle van Liesvelt. Deze column verscheen eerder in het online magazine van Geef om de Jan Eef.

