Kapper
De weekendoverdracht is weer achter de rug. Zojuist zette ik de kinderen met volle weekendtas voor de deur van hun vader af. Voordat de deur openging, zakte ik nog snel door de knieën voor een knuffel van de jongste en gaf ik de oudste staande een dikke kus. Op mijn mamafiets dwaal ik door de stad. Het weekend is net als de koelkast leeg. Als ik langst mijn vaste kapsalon fiets, besef ik dat ik daar al lange tijd niet meer naar de kapper ben geweest. Het is een Turkse kapsalon. De salon doet aan niets denken aan die van de überhippe Rob Peetoom. Rob mag Paris Hilton tot zijn clientèle rekenen, en heeft een gladgestreken naar deze tijd ingerichte comfortabele salon. De Turkse kapsalon is gevuld met allochtone meisjes, verlicht met tl-buizen, en de muren zijn opgeleukt met plakstickers.
Als ik de salon binnenstap kijkt de bazin mij vragend aan. In haar rechterhand heeft ze een föhn, in haar linkerhand een streng prachtig donker golvend haar. Het behoort toe aan een jong mooi opgemaakte twintiger. “Wassen en knippen.” “Over 10 minuten is zij wel klaar.” Even kijkt ze naar een kapster drie stoelen verderop. “Oké,” zeg ik terwijl ik mijn jas op een eenvoudige kapstok hang, een roddelblad van een glazen salontafel pluk, en onderuitzakt op een zwart lederen fauteuil. Hier is mooi geen vereiste, maar is iedereen het wel.
Even later ga ik via wasbak naar de kappersstoel. Mijn haar druipt uit op een naar wasverzachter geurende verschoten handdoek. Het meisje achter me krijgt een witte kantensluier aangemeten. “Vanmiddag om drie uur trouwt ze,” zegt het meisje dat mijn haar knipt. “Moeilijk hoor een man vinden”, zucht ze. De kapster die naast ons staat, mengt zich in het gesprek. “Die Turkse mannen zijn te Turks, de Marokkanen te Marokkaans en die Nederlanders tja.” “Die zijn helemaal moeilijk om aan je te binden, die vinden ons te Turks.” Beide meisjes kijken zuur. Taxichauffeurs, beveiligers en sportschooltypes schijnen op de meiden te vallen. Maar dat type vinden ze niks. “Ik vind zo’n student wel leuk.” “Zo’n bal?” “Ja, dat vind ik wel wat.”
Ik moet denken aan vorige zomer toen ik met drie gescheiden vrienden een bruispaar de treden van een strandtent omhoog zag gaan. ‘Trouw niet voor je veertig bent’, neuriede wij bij het aanblik. “Met wie trouwt zij?”onderbreek ik terwijl ik in de richting van de bruid wijs. “Zij trouwt met een Turk.” Een sluier van vijf meter lang wordt met naald en draad aan de donkere lokken geregen. “Hoe krijg ik die vanavond los?” vraagt de bruid angstvallig. De kapster lacht hard. “Als het jou niet lukt, zorgt hij wel dat het gebeurd.”
“Komt er in de kapsalon nooit een leuke man binnenlopen?” vraag ik de kapsters. “Ieee,” roepen ze allebei. “Wij knippen geen mannen meer. Al twee keer hebben we meegemaakt dat er…” Ze giebelen. “…dat er te veel beweging was onder de kappersmantel. Sindsdien staat er dameskapsalon op het raam.” De bruid staat op. Er rijdt een auto voor. Gelukswensen gaan door de lucht. “Ken jij geen man?” vraagt mijn kapster. “Ik ben gescheiden, en zoek er zelf ook nog een.” Ze zuchten als ze de sluier in de auto zien verdwijnen. “Ken je die bruidszaak op de Jan Eef. Die met die prachtige jurken met al die kraaltjes?” vraagt de kapster mij. Ik knik. “Daar ga ik mijn bruidsjurk kopen.” “Nu nog alleen nog man,” zegt haar collega lachend.
Tekst: Elle van Liesvelt – Deze column verscheen eerder in het online magazine van Geef om de Jan Eef.

